|
Aftrek eigen onderhoudskosten |
Schuiven Vorige Startpagina Volgende Meer |
Bij een ongeval met dodelijke afloop bestaat de inkomstenschade van de nabestaanden uit het deel van het inkomen van de overledene waaruit zij een persoonlijk voordeel haalden. De inkomsten van het slachtoffer kwamen tijdens diens leven niet integraal aan de rechthebbenden toe. Het slachtoffer moest immers ook voor zijn eigen onderhoud zorgen. Die kosten moeten dus in mindering gebracht worden op het inkomen dat verloren ging. De rechtspraak raamt ze overwegend op een percentage van het gezinsinkomen en trekt ze in die mate af van het persoonlijk netto-inkomen van het slachtoffer (of van de economische waarde als het om een huisvrouw gaat).
|
De raming door de rechtbanken gebeurt forfaitair omdat exacte gegevens over de werkelijke financiële uitgaven in het gezin en het aandeel van de persoonlijke onderhoudskosten in het geheel van die uitgaven nooit voorhanden zijn.
Vrij algemeen werd het percentage van de persoonlijke onderhoudskosten door de rechtbanken geraamd op 30 tot 35 % van het gezinsinkomen, met zeldzame uitschieters naar 40 en 50 % voor een gezin van 2 personen en naar 25 en 20 % voor gezinnen van 5 en meer personen, waarbij soms rekening werd gehouden met later te verwachten veranderingen in de gezinssamenstelling (ulrichts, H., Schaderegeling in België, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium NV, 2013, p. 230).
De Indicatieve tabel versie 2020 keurt die werkwijze (forfaitaire raming) goed (randnummer 4.3.2.1) en bevestigt haar vroegere regel waarbij "bij gebrek aan concrete elementen voor de berekening van het eigen aandeel in de gezinsuitgaven" de volgende formule kan gebruikt worden:

Blijkbaar hebben de samenstellers van de Indicatieve tabel daarbij het werk uit het oog verloren van Statbel (het Belgisch statistiekbureau) )waarbij tweejaarlijks een "Huishoudbudgetenquête" wordt uitgevoerd en de resultaten ervan worden gepubliceerd (12 maanden na de referentieperiode). Men beschikt aldus relatief snel over recente statistische gegevens over gezinsinkomsten en -uitgaven onder meer per inkomensgroep (kwartielen). Met die gegevens kan men - zoals hieronder zal blijken - een minder willekeurige evaluatie van de uitgaven per gezinslid maken en een meer realistische berekening van de kosten van eigen onderhoud (ulrichts, H., Schaderegeling in België, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium NV, 2013, p. 230; SCHRYVERS, J., "Een meer realistische berekening van de eigenonderhoudskosten?", TAVW 2000, 109).
EU-HBS (European Union - Household Budget Survey) is een, onder impuls van EUROSTAT, georganiseerde enquête over inkomsten en uitgaven. Het is een belangrijk werkinstrument om zowel op Belgisch als op Europees niveau de consumptiegewoonten van de bevolking over een jaar te beschrijven.
De deelnemende huishoudens moeten onder meer een bestedingen- en inkomstenboekje bijhouden, waarin zij gedurende één maand al hun inkomsten en bestedingen noteren. Elke maand worden iets meer dan 300 huishoudens ondervraagd. Zo verkrijgt men over een jaar een steekproef van ongeveer 3.700 huishoudens. Vanaf 2012, gebeurt de enquête tweejaarlijks in plaats van jaarlijks, maar met een grotere steekproef (6.000 deelnemende huishoudens per jaar). Men werkt bovendien niet meer met een aparte steekproef, maar de steekproef wordt geïntegreerd in de enquête naar de arbeidskrachten (zie Huishoudbudgetonderzoek).
Onder huishoudelijke consumptie verstaat men alle goederen en diensten door het huishouden zelf verbruikt of aan een derde geschonken. Voor een meer gedetailleerde opsomming van de verschillende rubrieken, raadpleegt men de downloadbare bestanden op: Statbel Huishoudbudgetonderzoek 2020.
Het beschikbaar inkomen is een belangrijke controlevariabele bij het onderzoek naar de consumptie. Het beschikbaar inkomen omvat enerzijds het inkomen uit economische activiteit en vermogen, en anderzijds het inkomen uit sociale zekerheid en overig overgedragen inkomen.
De statistieken tonen de gezinsuitgaven afhankelijk van verschillende karakteristieken van de huishoudens. Zo zijn die statistieken onder meer voorgesteld:
•per inkomenskwartielen (zie volgende paragraaf)
•per gewest
•volgens beroepsstatuut
•per leeftijdscategorie
•volgens het aantal professioneel actieve gezinsleden.
Voor het berekenen van de kwartielen worden alle huishoudens van de steekproef eerst gerangschikt volgens stijgend inkomen. Vervolgens worden ze in vier (vrijwel) gelijke groepen ingedeeld. Die groepen vertegenwoordigen elk een kwart van de totale populatie van huishoudens. Het eerste kwartiel bevat 25 % van de huishoudens met de laagste inkomens, het tweede kwartel bevat 25 % van de huishoudens met de daaropvolgende inkomens, enz. De gepubliceerde resultaten zijn voor elke rubriek het gemiddelde binnen elk kwartiel (GLORIEUX, I., MINNEN, J., en MESTDAG, I., Technisch verslag "Time&Budget" 31 december 2007, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, Vrije Universiteit Brussel).
Jacques Schryvers had de verdienste te ontdekken dat de statistieken van de huishoudbudgetenquêtes de gelegenheid boden om via een omweg de kosten van eigen onderhoud van het slachtoffer van een dodelijk ongeval te ramen (SCHRYVERS, J., "Een meer realistische berekening van de eigenonderhoudskosten?", TAVW 2000, 109).
Daartoe moeten de uitgaven of bestedingen gesplitst worden in vaste of permanente onkosten en persoonsgebonden kosten of persoonlijke onderhoudskosten.
De eerste categorie uitgaven verdwijnt niet na het overlijden van een gezinslid, terwijl de tweede categorie wel gedeeltelijk wegvalt.
De permanente onkosten zijn die welke gemaakt worden betreffende onroerende goederen, verwarming, meubelen, huishoudartikelen en -toestellen, gereedschap voor en onderhoud van huis en tuin, sommige toestellen en diensten voor cultuur en ontspanning, financiële diensten en verzekeringen (zie de rijen 7 tot 13 van het werkblad "Aftrek van kosten voor eigen onderhoud").
De overblijvende uitgaven (totale consumptie (rij 5) min vaste kosten (rij 14)) zijn dan de kosten voor persoonlijk onderhoud.
Als men de procentuele verhouding van die kosten tot het beschikbaar inkomen bekijkt voor de verschillende kwartielen (rij 17 van het werkblad) valt meteen al het verschil op tussen bv. het eerste en het vierde kwartiel. Dat wijst er op dat het toepassen van eenzelfde forfait voor alle huishoudens zonder rekening te houden met het inkomensniveau van het gezin niet correct is.
Het totaal van de persoonsgebonden kosten in het werkblad (rij 16) en de percentages (rij 17) stellen het geheel van de bestedingen voor het eigen onderhoud van alle gezinsleden voor.
Het individueel aandeel van elk gezinslid in het geheel van de kosten van eigen onderhoud moet nog worden bepaald. Er moet dus aan elk gezinslid een "eenheid kosten van eigen onderhoud" worden toegekend, namelijk een coëfficiënt gelijk aan het aandeel van het gezinslid in het geheel van de kosten van persoonlijk onderhoud van gans het gezin.
Uiteraard kan dergelijke coëfficiënt niet mathematisch exact worden bepaald, maar men hier kan terugvallen op de zogenoemde gemodificeerde OESO-schaal, dit is een equivalentieschaal die wordt toegepast om de consumptieuitgaven aan te passen in functie van de omvang en de samenstelling van het gezin, vanuit het principe dat gezinsleden kosten en bestedingen delen (schaalvoordeel).
Dankzij een equivalentieschaal kan men inkomsten en uitgaven van huishoudens van verschillende grootte met elkaar vergelijken door gebruik te maken van een omzettingsmethode van de inkomsten/uitgaven in vergelijkbare eenheden. Aldus kan men bv. een gezin van een koppel met twee kinderen vergelijken met een alleenstaande.
Conform de gewijzigde OESO-schaal worden volgende verbruikseenheden voor het gezin toegepast:
•de eerste volwassene in het huishouden = 1
•alle andere personen in het huishouden van 14 jaar of ouder = 0,5
•ieder kind van minder dan 14 jaar = 0,3.
Dat betekent dat de inkomsten/bestedingen van bv. een koppel met twee kinderen (jonger dan 14 jaar) worden gedeeld door een coëfficiënt 2,1 (1 + 0,5 + 0,3 + 0,3) om ze met de inkomsten / bestedingen van een alleenstaande te kunnen vergelijken (zie hierover, o.a. ATKINSON, A.B. en MARLIER, E. (eds.), Income and living conditions in Europe, Luxemburg, Publications Office of the European Union, 2010, nr. 5.2.1, p. 104).
De gewijzigde OESO-schaal werd op het einde van de jaren 90 door EUROSTAT (Statistisch Bureau van de Europese Unie) ingevoerd omdat verschillende onderzoeken hadden uitgewezen dat de klassieke OESO-schaal te veel gewicht toekende aan de "andere" volwassenen en de kinderen (de klassieke OESO-schaal kent aan de eerste volwassene een gewicht toe van 1, aan elk ander gezinslid van 14 jaar en ouder een gewicht van 0,7 en aan de kinderen van minder dan 14 jaar een gewicht van 0,5). De gewijzigde OESO-schaal werd voor het eerst voorgesteld In Poverty Statistics in the late 1980s, een studie uitgevoerd voor EUROSTAT door Aldi J.M. Hagenaars, Klaas de Vos en M. Asghar Zaidi van de Erasmus Universiteit te Rotterdam (1994, Luxemburg, Office for Official Publications of the European Communities, p. 18).
De Verordening (EG) nr. 28/2004 van de Commissie van 5 januari 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1177/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC), wat de gedetailleerde inhoud van het tussentijds en het eindverslag over de kwaliteit betreft (Pb.L. 5, 9 januari 2004, 42), neemt in haar definities die gewijzigde OESO-schaal op (zie deze Verordening). De lidstaten moeten die schaal gebruiken voor de statistieken van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC = European union - Study on Income and Living Conditions). Ook bij de Huishoudbudgetenquêtes van Statbel wordt die equivalentieschaal gebezigd.
In tegenstelling tot Jacques SCHRYVERS (SCHRYVERS, J., "Een meer realistische berekening van de eigenonderhoudskosten?", TAVW 2000, 110) meen ik dat de verbruikseenheden uit de gewijzigde OESO-schaal wel kunnen dienen als basis voor de "eenheid eigen onderhoudskosten" (zie hierna het onderwerp De schaal SCHRYVERS).
De eenheid eigen onderhoudskosten voor een gezin bestaande uit twee volwassenen (leden van 14 jaar oud of meer) en twee kinderen (minder dan 14 jaar) bedraagt op basis van de gewijzigde OESO-schaal: 1 + 0,5 + 0,3 + 0,3 = 2,1.
In principe geeft de eerste volwassene dan 47,62 % (1 / 2,1), de andere volwassene 23,81 % ((1 / 2,1) * 0.5) en ieder kind 14,29 % ((1 / 2,1) * 0.3) van het geheel van de persoonlijke onderhoudskosten uit.
In de praktijk kan men nochtans het onderscheid tussen de eerste volwassene en de overige in het huishouden woonachtige personen van veertien jaar of ouder niet volhouden om de kosten van eigen onderhoud van de overledene te berekenen. Daarom zal het gemiddelde worden gemaakt van het procentuele aandeel van alle gezinsleden van 14 jaar of meer in het geheel van de persoonsgebonden gezinsbestedingen.
In het vorige voorbeeld geeft dat als resultaat: (47,62 + 23,81) / 2 = 35,71 %.
De kosten van eigen onderhoud t.o.v. het beschikbaar gezinsinkomen bekomt men tenslotte door het totaal van de persoonsgebonden kosten van het huishouden (rij 16 van het werkblad) te vermenigvuldigen met het (gemiddelde) procentuele aandeel van ieder gezinslid (zie blauwe vakjes naast "procentuele verdeling van de uitgaven van het gezin" op het xwerkblad ) en het resultaat te delen door het beschikbaar gezinsinkomen (rij 4 van het werkblad).

Opgelet: zowel voor het totaal van de persoonsgebonden kosten van het gezin als voor het beschikbaar gezinsinkomen moet men binnen het kwartiel blijven tot hetwelk het netto-gezinsinkomen van de overledene behoort. Geen nood: alles wat vooraf gaat wordt automatisch en in een oogwenk berekend door het programma nadat de nodige gegevens zijn opgegeven.
J. SCHRYVERS zelf stelde een "eenheid eigen onderhoudskosten" voor van 1 per volwassene en van 0,5 per kind jonger dan 15 jaar (SCHRYVERS, J., "Een meer realistische berekening van de eigenonderhoudskosten?", TAVW 2000, 110).
Volgens hem kon de gewijzigde OESO-schaal niet worden gebruikt voor de raming van de eigen onderhoudskosten die verdwijnen na een dodelijk ongeval. Een motivering voor die stelling bracht hij evenwel niet aan.
De gebruiker wordt bij het invoeren van de gegevens de keuze geboden tussen de "gewijzigde OESO-schaal" en de "schaal SCHRYVERS". Zie het onderwerp hierna De "Gegevens" invoeren.
|
Zoals men heeft kunnen vaststellen, stelt dit werkblad de gebruiker in staat een berekening te maken van de kosten van eigen onderhoud van de overledene waarbij rekening kan worden gehouden met recente statistische gegevens over gezinsinkomsten en -bestedingen naargelang de kwartielen en met de concrete gezinssamenstelling.
Ofschoon de berekeningsmogelijkheid die wordt aangeboden niet leidt tot absolute waarheid, meen ik dat zij resultaten oplevert die dichter de werkelijkheid benaderen dan de forfaitaire ramingen die nu door de rechtbanken worden aangewend, inbegrepen de formule die door de Indicatieve tabel wordt voorgesteld.
De module zal worden bijgewerkt met de recentste statistische gegevens van Statbel zodra zij beschikbaar worden gesteld, zodat de berekeningsmethode altijd actueel zal blijven.